Rietveldlezing

Gehouden op 30 november 2008 in het Stadhuis in Utrecht


Raumkreuz Max Bill

In de jaren negentig toen Sjarel Ex nog directeur was van het Centraal Museum, vroeg hij de Zwitserse kunstenaar Max Bill de Rietveldlezing te houden. In Utrecht was toen een beeld van hem geplaatst dat hij zelf als een hommage zag aan Rietveld. Het ging echter niet door. Max Bill achtte zich niet in staat de lezing te houden omdat zijn gezichtsvermogen het liet afweten. Ex heeft mij toen nog gevraagd om hem over te halen omdat ik Max Bill persoonlijk kende, maar daar heb ik – uit respect voor de man – van af gezien.

Het is waar: Max Bill kende Rietveld en waardeerde zijn werk zeer. Zijn lezing zou zeker een groot Rietveldgehalte gehad hebben en dat zal met mijn lezing vandaag ook het geval zijn. Met Max Bill en Rietveld zijn meteen de mensen genoemd die voor mijn ontwikkeling als mens en architect van doorslaggevende betekenis zijn geweest.

 

Leerschool

De echte ontwikkeling begon in 1956. In de zevenentwintig jaren die daaraan vooraf gingen, was het voor mij nog een zoeken en tasten om mijn richting te vinden. Wat ik in mijn jeugd aan stimulerende bagage heb meegekregen, komt naar mijn gevoel vooral van vaders kant. De bagage van de zijde van mijn moeder was meer ballast, het juk van het orthodoxe katholicisme. Tussen de hervormden, gereformeerden, christelijk gereformeerden en protestantebonders in mijn geboorteplaats Dedemsvaart, bevond zich een gesloten groep katholieken waar roomse blijheid ver te zoeken was. Het heeft me de helft van mijn leven gekost om me daarvan te bevrijden, maar indertijd wist ik niet beter en ik heb desondanks toch een gelukkige jeugd gehad.

Opa Papa

Mijn grootvader van vaders kant was een klein keuterboertje die al de overtuiging moet hebben gehad dat je een vak moest leren om wat te bereiken in het leven. Hij had vier dochters en vier zonen waarvan er drie naar de ambachtschool gingen om timmerman te worden. Dat was toen nog een hele onderneming want ze moesten elke dag op en neer met de stoomtram van Dedemsvaart naar Coevorden..

Mijn vader werkte na de ambachtschool als timmermansknecht. Hij dacht al snel ‘wat de baas kan, kan ik ook’ en begon met een andere knecht een eigen aannemersbedrijfje. Zijn devies was: liever kleine baas dan grote knecht. Van de foto’s van mijn grootvader en vader straalt af dat het trotse mensen waren. Ik heb het gevoel dat ik van deze kant mijn sterke drang naar zelfstandigheid en onafhankelijkheid heb geërfd. En dat gaat ook na mij verder. We hebben drie kinderen die allemaal zelfstandig zijn: de oudste zoon werkt als advocaat in Barcelona, de dochter zet met haar man mijn bureau voort en de jongste zoon is huisman, bouwvakker en kunstschilder in Amerika.

Toen ik opgroeide kwamen er steeds meer invloeden van buitenaf. Het was vanzelfsprekend dat ik na de lagere school naar de ambachtschool zou gaan om het timmervak te leren. De achterliggende gedachte was dat ik dan later de zaak van mijn vader kon voortzetten. Maar dat liep allemaal anders, want toen ik als timmerman tekeningen onder ogen kreeg, dacht ik dat ikzelf beter de tekeningen kon maken. Toen werd ik dus tekenaar. Maar toen ik eenmaal tekenaar was, wilde ik liever degene zijn die bepaalde wat de tekenaar moest tekenen en zo werd ik architect. En toen ik mijn architectendiploma had gehaald, was er voor mij maar één manier om het beroep uit te oefenen en dat was zelfstandig. Die ontwikkeling ging natuurlijk gepaard met studeren. Eerst aan de HTS en later –naast mijn werk als tekenaar op een architectenbureau –aan de Academie van Bouwkunst.

Toen ik klaar was, besefte ik dat mijn technische opleiding en ervaring goed waren maar dat het architectuuronderwijs heel gebrekkig en oppervlakkig was gebleven. Ik bleef zitten met een hunkering naar kennis van de fundamentele uitgangspunten van vormgeving.

Toen las ik dat in het Zuid-Duitse Ulm de Hochschule für Gestaltung was opgericht. Max Bill, afkomstig van het beroemde Bauhaus, was daar rector. De beschrijving van de school en het onderwijs maakte mij onmiddellijk duidelijk dat dit de plek was waar ik naartoe moest. Om daarvoor extra geld te verdienen heb ik in het afstudeerjaar aan de academie, naast mijn baan op het architectenbureau, ook nog avondtekenwerk aangenomen. Met mijn instelling en een pakket aan bewijzen van mijn kunnen heb ik mij aangemeld in Ulm en daarop werd ik aangenomen. Ik heb mijn baan opgezegd, mijn bezittingen gereduceerd tot dat wat in twee koffers paste en ben met 1800 gulden aan spaargeld in de binnenzak van mijn jasje afgereisd naar Ulm.

De school lag buiten de stad op een heuvel, de Kuhberg. Toen ik die eerste dag de berg opklom en voor het schoolgebouw stond, raakte ik vervuld van een immens geluksgevoel. Ik wist het direct: dit is architectuur en zoiets wil ik ook kunnen maken.

De school was gebouwd naar een ontwerp van Max Bill. Gebouw en landschap waren één. Omdat het gebouw over de heuvel is gevleid, zijn er overal niveauverschillen en trappen. De vertrekken verschillen alleen in grootte, een andere hiërarchie is er niet. De constructies en materialen zijn overal gelijk en hebben geen andere functie dan het bepalen van de ruimte. De constructie speelt geen eigen rol in het totale beeld. Eerst was het de bedoeling deze constructie van staal te maken maar toen de betonindustrie de materialen beschikbaar wilde stellen werd het beton.


Hochschule für Gestaltung Ulm

Max Bill maakte concrete kunst: schilderijen, beelden, gebruiksvoorwerpen en architectuur. Deze term ‘concrete kunst’ werd geïntroduceerd door Theo van Doesburg in het manifest Art Concret dat hij met zijn schildervrienden in 1930 in Parijs publiceerde. Daarin heeft het betrekking op de schilderkunst. In 1936 heeft Max Bill de tekst uitgebreid en van toepassing verklaard op ‘Konkrete Gestaltung’, dus op alles wat vorm gegeven wordt. Er is sprake van Konkrete Gestaltung wanneer de vorm ontstaat uit middelen en wetten die eigen zijn aan de betreffende discipline en niet aan verschijnselen daarbuiten. De vorm berust daarmee dus enkel op kleur, vorm, ruimte, licht en beweging en niet op representatie van iets daarbuiten zoals aanzien, gezag, rijkdom, weelde, macht of mode . In die zin is er bij het gebouw van de Hochschule für Gestaltung sprake van concrete architectuur. Het gebouw representeert namelijk alleen zichzelf.

Bill had ook het lesprogramma van de school opgesteld. Hij had vroeger zelf gestudeerd aan het vermaarde Bauhaus in Dessau en wilde in Ulm de Bauhaus-traditie voortzetten. Om er te kunnen studeren moest je al een zekere kennis en ervaring hebben in architectuur, industriële vormgeving, grafiek, fotografie, film, of andere disciplines. Er was plaats voor ongeveer tachtig studenten die uit de hele wereld afkomstig waren.

De opleiding begon met een ‘Grundlehre’ van één jaar die ik volgde met een groep van dertig studenten met negen nationaliteiten. In de Grundlehre werd alles wat je meebracht aan weten en kunnen ‘in Frage gestellt’, op losse schroeven gezet. Bij alles wat je maakte, moest je vertellen waarom je het zo had gedaan en daarbij kwam je niet weg met een antwoord als ‘weil es mir gefällt’. We hadden hoorcolleges in moderne kunstgeschiedenis, filosofie en sociologie en in de werkplaatsen maakten we werkstukken op het gebied van fotografie, taal, kleur en tekenen en modellen in gips, hout of metaal. Elke woensdagavond kwamen beroemde schrijvers of wetenschappers lezingen geven. Het was fantastisch. Het zinderde van de werklust. De school werd ‘s middags om vijf uur gesloten maar wij vroegen de sleutel aan de ‘Hausmeister’ en bleven tot ‘s avonds elf uur doorwerken.

Intussen was er op de school een richtingenstrijd gaande. Eén groep docenten wilde van de Bauhaustraditie af en vond dat er meer wetenschappelijk gewerkt moest worden. Zij werd gevolgd door een deel van de studenten. De anderen, waaronder ikzelf, waren aanhangers van Max Bill en zijn methode. Bill verloor echter deze strijd en moest de school verlaten. Zelf heb ik de ‘Grundlehre’ afgemaakt maar toen de ‘Abteilung Architektur’ werd omgezet in ‘Abteilung Industrialisiertes Bauen’ heb ik de school met pijn in het hart verlaten.

De tijd in Ulm was een korte maar zeer heftige periode die mijn leven en denken volledig op z’n kop heeft gezet. Het was een mijlpaal. In Ulm leerde ik dat voorwerpen, gebouwen en nederzettingen niet ontworpen moeten worden. Je moet ze ontwikkelen uit een nauwkeurig omschreven opgave. Wanneer je kunt omschrijven aan welke soort plek en voor welke vormen van gebruik er behoefte is, dan rolt de vorm er vanzelf uit. Vorm moet niet worden gegeven maar worden gevonden.

Monika Buch leerde ik kennen op de Hochschule in Ulm. Wij trouwden in 1959 en zijn nog altijd bij elkaar. Nadat ze drie jaar in Ulm had gestudeerd, vertrok ze naar Utrecht voor een universitaire studie pedagogiek. Ik ben haar hier naartoe gevolgd. Omdat ik had besloten nooit meer in dienst van een ander te werken, riep ik mij in Utrecht uit tot zelfstandig architect. Dat had weinig effect want niemand kende mij hier. Omdat we toch ergens van moesten leven, besloot ik drie dagen per week op freelance basis te werken voor een andere architect, het liefste voor iemand die werk maakte waar ik me achter kon stellen.

Ik meldde mij allereerst bij Rietveld. Die ontving mijn vrouw en mij op zijn kleine werkkamertje aan de Oudegracht. Hij was geïnteresseerd in ons omdat wij van de Hochschule kwamen. Max Bill had hem ooit gevraagd als docent maar dat was niet doorgegaan omdat het niet te combineren was met zijn bureau. In het gesprek werd duidelijk dat Rietveld er niet voor voelde dat ik vanuit mijn eigen huis voor hem zou werken. Ik kon wel op zijn bureau komen, maar dat wilde ik zelf niet. Op dat moment kwam het dan ook niet tot een samenwerking.

Daarna bezocht ik hem nog eens om een prijsvraagontwerp voor woningbouw te laten zien. Daar zei hij toen iets lovends over. Later ontdekte ik echter dat ik daaraan weinig betekenis moest hechten. Als Rietveld een ontwerp onder ogen kreeg waar hij niets in zag, dan uitte hij nooit kritiek, dat zou maar leiden tot discussie en dat vond hij zonde van de tijd. Hij zei dan bij voorbeeld dat het mooi getekend was.

Toen wij een tijdje later gingen trouwen stuurden we Rietveld een kaart en ontvingen daarop een heel aardige brief waarin hij mij in een p.s. vroeg om eens langs te komen voor eventueel werk. Dat deed ik graag en ik heb daarna twee en een half jaar voor hem gewerkt totdat ik zelf voldoende werk had om van te leven.

Mijn omgang met Rietveld was de tweede mijlpaal in mijn leven. Ik bewonderde hem zeer en zag hem als een meester.

Huwelijksaankondiging Monika Buch en Bertus Mulder                                   Felicitatie Rietveld

Ik was onder de indruk van zijn werk maar meer nog van zijn persoon, van zijn integer kunstenaarschap en van zijn totale onafhankelijkheid. Rietveld was streng christelijk gereformeerd opgevoed maar wierp het juk van het geloof af. Hij bepaalde voor zichzelf een nieuwe levenshouding vanuit de vreugde over het bestaan in het hier en nu zonder speculaties over wat daarbuiten zou kunnen liggen. Hij heeft niet zijn geloof verloren maar levensspirit gewonnen. Dat heeft mij zeer geïnspireerd.

Ik heb nooit een mens ontmoet met een grotere geestelijke vrijheid dan Gerrit Rietveld. Toen ik hem ontmoette was hij al 72 jaar. Hij combineerde de wijsheid van deze leeftijd met de zuivere oorspronkelijkheid van de vroege jeugd. Hij leefde op de manier die hij goed vond, vrij van conventies en met een grote bescheidenheid omdat hij anderen niet wilde kwetsen. Maar hij paste zich nooit aan. Voor hem lag het grootste geluk dat een mens ten deel kan vallen in de vreugde over de groei van het bewustzijn. Die groei gaat niet vanzelf. Dat gebeurt in een proces dat op gang wordt gebracht in de activiteit van de zintuigen. Daar was hij op gericht. Hij stond midden in het leven, alert, met de zintuigen, vooral de ogen, op scherp. Een actief zinneleven, een voortdurende wisselwerking met de omgeving was voor hem voorwaarde om uit het tijdelijke bestaan te kunnen halen wat er in zit.

Zijn werk was gericht op het vergroten van het ruimtebewustzijn. Ruimte was voor hem dan ook hét medium van architectuur. Architectuur was in zijn visie ruimtekunst waarmee door het opstellen van begrenzingen in de totale ruimte een stukje menselijke werkelijkheid wordt bepaald. In zijn benadering werd zo’n stukje niet volledig van de totale ruimte afgezonderd maar bleef het door middel van overgangen in verbinding met de totale ruimte. Zijn belangrijkste werken zijn geen bouwmassa’s maar constellaties van elementen die alzijdig het totaal van binnen en buiten en de overgangen daartussen ervaarbaar maken.

Hij demonstreerde dit in een tekeningentje op de kaart die hij stuurde aan alle mensen die hem geluk gewenst hadden bij zijn zeventigste verjaardag. Ook tientallen jaren daarvoor liet hij het al zien in het Rietveld-Schröder huis met alle deuren en ramen open. Dit is ruimtekunst waarin binnen en buiten via tussenelementen in elkaar overvloeien. De tussenelementen zijn hier de openstaande ramen en deuren, de balkons en de dakoverstekken. Wanneer je in het Rietveld-Schröder Huis in de woonhoek staat, heb je het gevoel dat je ook buiten bent. Deze ruimte is binnen en buiten tegelijk.

Rietvelds architectuur is ook concrete architectuur, volgens de definitie van Max Bill ontstaan uit de eigen middelen en wetten van de architectuur. De Hollandse Stijlgroep, waartoe ook Rietveld behoorde, had deze architectuurprincipes van 1916 tot 1923 praktisch en theoretisch ontwikkeld. Theo van Doesburg formuleerde ze in 1923 in Parijs en publiceerde ze vervolgens in de vorm van zestien stellingen in het Bouwkundig Weekblad van mei 1924. Zelf kwam hij niet verder dan het demonstreren van deze architectuurprincipes in tekeningen en maquettes. Het was Rietveld die ze toepaste in de praktijk en ze concretiseerde in het Rietveld Schröder Huis. Hij kon dat in extreme vorm doen omdat hij daartoe werd uitgedaagd door Truus Schröder. Samen realiseerden ze hier het belangrijkste voorbeeld van De Stijl architectuur.

De vormentaal die Rietveld gebruikte was geometrisch omdat dit een algemeen geldend idioom is dat iedereen altijd en overal vertrouwd is. Dat was voor hem belangrijk omdat hij streefde naar helderheid. Hij werkte met vlakken en lijnen en probeerde die zo zuiver mogelijk toe te passen, zonder bouwkundige toevoegingen zoals afdeklijsten, plinten, betimmeringen en dergelijke. Dat leverde hem in het ruige Nederlandse klimaat problemen op die op dat moment nog niet opgelost konden worden. Met zijn ideeën was hij zijn tijd dus ver vooruit. Ik heb het in de restauratie van zijn werk gemakkelijker omdat de techniek en de materialen voor een praktische toepassing van deze zuivere architectuur nu wel voor handen zijn.

De uitgangspunten voor architectuur die Rietveld in het Rietveld Schröder Huis concretiseerde, heeft hij zijn leven lang toegepast. Rietveld was één van de pioniers van Het Nieuwe Bouwen. De architectuurstromingen die na het Nieuwe Bouwen in Nederland de kop opstaken gingen aan hem voorbij. Hij wist wat hij moest maken en week daar niet van af. Dat is te zien aan één van zijn laatste werken waarvan hij de voltooiing niet meer heeft mee kunnen maken: de aula op de begraafplaats Wilgenhof in Hoofddorp.

Omdat de vijfde landingsbaan op Schiphol vlak langs de aula was geprojecteerd zou het gebouw voor begrafenisplechtigheden onbruikbaar worden. De gemeente wilde het echter niet kwijt. Voor het behoud van dit gebouw, dat inmiddels gemeentelijk monument was geworden, waren drie mogelijkheden bedacht. De eerste was het gebouw te laten staan en niet meer te gebruiken. Dit was niet aantrekkelijk omdat een onbruikbaar gebouw een belangrijk deel van zijn zin heeft verloren. De tweede optie was het gebouw te demonteren en ergens anders weer op te bouwen. Dit stuitte op een groot aantal technische bezwaren. Het geglazuurde metselwerk en de staalconstructie waren in slechte staat en niet meer geschikt voor hergebruik. Verder waren er nog al wat gebreken in de constructie die zeker verbeterd zouden moeten worden om het gebouw goed te kunnen onderhouden. De derde optie was de bestaande aula slopen en aan de hand van de tekeningen van Rietveld een nieuwe aula te bouwen voor de nieuwe begraafplaats. Dit is gebeurd en de gemeente koos mij hiervoor als architect.

Op de begraafplaats Meerterpen heb ik een nieuwe aula gebouwd die er voor achtennegentig procent uitziet als de oude maar tegelijkertijd ook voldoet aan de huidige normen op het gebied van thermische isolatie en onderhoud. Bij de opening werd mij gevraagd wat dit nou voor een gebouw is: een Rietveld of een Bertus Mulder. Ik heb toen gezegd dat het een betere Rietveld is.

De Rietveld van het Rietveld Schröder Huis is in dit laatste werk duidelijk herkenbaar. Evenals in het Rietveld Schróder Huis is hier met ongebroken muurvlakken en glaspuien een bouwwerk gemaakt waarin binnen- en buitenruimte in elkaar overvloeien. Er is geen stukje ruimte van de begraafplaats afgezonderd maar een stuk van de ruimte kreeg een bijzonder functie terwijl de totale ruimte van de begraafplaats ervaarbaar bleef. De vorm van de aula werd afgeleid van het verloop van de begrafenisplechtigheid.

Toen ik in 1974 het exterieur van het Rietveld Schröder Huis had gerestaureerd werd mij in interviews over Rietveld en zijn werk vaak gevraagd welke invloed Rietveld op de architectuur had gehad. Ik dacht toen vooral aan de Kunsthal in Rotterdam van Rem Koolhaas. Dit eerste belangrijke werk van Koolhaas werd gebouwd in 1992. De architect was toen 48 jaar. Rietveld was een pionier van het Modernisme en rekende af met de traditie. Koolhaas op zijn beurt rekent in de Kunsthal af met de traditie met inbegrip van het Modernisme. Het Modernisme had de weg geopend tot het prevaleren van ruimte boven massa, tot het verwerken van de constructie in de vorm en het integreren van nieuwe materialen en technieken. Koolhaas speelde met die nieuwe mogelijkheden. Hij stak de draak met de strengheid en dogmatiek die het vroege Modernisme nog aankleefde. Alle materialen waren voor hem door elkaar bruikbaar: staal, beton, boomstammen, plastic golfplaat en natuursteen. Hij maakte daarmee een zeer ruimtelijk bouwwerk, volstrekt asymmetrisch zonder nadruk op enig element. De ingang, een belangrijk element in monumentale bouwwerken, is in de Kunsthal gereduceerd tot een onopvallend muizengat. Beeldende kunst nam hij op een speelse manier op in het totale ensemble.


Kunsthal Rotterdam

Koolhaas maakte ook het ontwerp voor het hele museumpark met onder meer het gebouw van het Nederlands Architectuur Instituut. Dit is ontworpen door Jo Coenen en in vergelijking met de Kunsthal nogal monumentaal uitgevallen. Koolhaas had dit gebouw ook graag ontworpen en dat was voor het totaalbeeld misschien ook beter geweest. Andere onderdelen van het museumpark zijn het Natuurhistorisch Museum van Erick van Egeraat en Museum Boymans van Beuningen van Van der Steur met uitbreidingen van Hubert Jan Henket en meer recent Paul Robbrecht en Hilde Daem. Alle onderdelen hebben een duidelijke eigen signatuur en voegen zich tegelijkertijd in het totaalbeeld dat hiermee steeds rijker wordt. Dit vind ik goede voorbeelden van het ontwikkelen van iets nieuws vanuit een gegeven situatie.

De Rem Koolhaas van nu is overigens al lang niet meer de Koolhaas van de Kunsthal. Bij zijn gebouw voor de Chinese staatstelevisie houdt elke vergelijking met het werk van Rietveld op. Bij Rietveld gaat het om de persoonlijke ervaring van vrije mensen in een open maatschappij. In het megalomane gebouw in Beijing gaat het om de ervaring van de massa in een dictatuur. Architectuur wordt hier een teken van macht en dient hier vooral de autoritaire staat.

Tegenwoordig herken ik de ideeën van Rietveld bijvoorbeeld in het winkelcentrum Gyre in Tokio, ontworpen door MVRDV in Rotterdam. Toen Rietveld eens vertelde over New York waar hij net vandaan kwam, had hij het niet over de imposante wolkenkrabbers maar over het straatniveau van het Rockefeller Centre waar het leven op straat en in de winkels, de kantoren en de hallen van de woningen geruisloos in elkaar overgaan. Het winkelcentrum in Gyre is gepubliceerd in het vakblad De Architect onder de titel ‘De gevel voorbij’ en die titel trof mij. De gevel als stringente scheiding tussen de straat en het gebouw is hier niet meer aanwezig. De openbare ruimte van de straat loopt hier op de begane grond door naar binnen en de bouwlagen daarboven zijn geleed zodat het gebouw niet als een blok in de ruimte staat.

Het is dus wel degelijk mogelijk om op een plek ver van huis zodanig te bouwen dat het gebouw en de directe omgeving (waar je van huis uit niet mee vertrouwd bent) verweven worden. Maar dit vraagt van de ontwerper dat hij zijn uiterste best doet om zich de de ruimtelijke en sociaal-culturele onbekende situatie werkelijk eigen te maken.

Dat hebben de Zwitserse architecten Herzog en De Meuron goed begrepen. Het stadion dat zij voor de Olympische Spelen in Beijing ontwierpen, is op zeer zorgvuldige wijze ontwikkeld vanuit de locatie, de Chinese cultuur en de functie die het moest krijgen. De architecten hebben zich volledig ingeleefd in de situatie ter plekke met hulp van een intermediair die de Chinese cultuur goed kende en ze wegwijs kon maken en een Chinese kunstenaar. In de vorm van dit gebouw is de constructie volledig verweven. De ruimte in de constructie is van buitenaf vrij toegankelijk zodat stadsbewoners er kunnen ronddwalen en het gebouw onderdeel wordt van het stadsleven. Zo kunnen de bewoners van Beijing ook na de Olympiade nog van het gebouw profiteren. Herzog en De Meuron hebben met het stadion in Beijing laten zien dat het mogelijk is ook ver van huis architectuur te maken die eigen is aan de plek. Zij maken hun status van global architecten waar.

Gedropte architectuur

Dat is niet altijd het geval. Er zijn ook sterarchitecten die all over the World bouwen en hun creaties niet vanuit de gegeven situatie ontwikkelen maar van buitenaf droppen als koekoekseieren in andermans nesten.

Zo wilde de stad Bilbao zichzelf op de wereldkaart zetten. Ze vroeg daarom de Amerikaanse architect Frank Gehry een museum te bouwen. Ze wisten natuurlijk wat voor vlees ze in de kuip hadden en dat het hoe dan ook een spectaculair project zou worden. En zo gebeurde het dat iedereen Bilbao nu kent door het museum van Gehry. Punt is echter wel dat hij overal, ongeacht omstandigheden en functie, hetzelfde doet. Toen hij werd gevraagd in het pittoreske dorp Elciego in de Riojastreek een hotel te bouwen voor het wijnhuis Marques de Riscal, liet hij hetzelfde kunstje gewoon nog eens zien.

Richard Meier kennen we van het stadhuis in Den Haag. Zijn handelsmerk zijn spierwitte gebouwen, vaak van gemoffelde metalen panelen. In de buurt van Ulm, waar we nog wel eens komen, heeft Meier voor Weisshaupt, een fabrikant van verwarmingsketels tevens kunstverzamelaar, een ontvangstcentrum gebouwd waarin je Meier meteen herkent. Daarna bouwde hij in Ulm een Stadthaus, in Duitsland geen raadhuis maar een ‘huis voor de stad’. Het kwam te staan op een zeer bijzondere historische plek, aan de voet van de eeuwenoude Dom met de hoogste toren van Duitsland. Dat gaf kennelijk geen aanleiding om van het standaardschema af te wijken. Ook hier liet Meier weer een spierwit gebouw verrijzen dat in wezen niet verschilt van het gebouw voor Weisshaupt. Een typisch voorbeeld van een gedropt gebouw dat geen leegte achterlaat wanneer het weer verdwijnt.

Voor het realiseren van goede architectuur heb je niet alleen een goede architect nodig maar ook een goede opdrachtgever. Een goede opdrachtgever zoekt voor een bepaalde opgave op een bepaalde plek de geschikte architect. Maar het gebeurt al te vaak dat opdrachtgevers – en dan vooral bestuurders – ter meerdere eer en glorie van de stad en van zichzelf beroemde architecten laten opdraven.

De gemeente Haarlemmermeer had drie bruggen nodig over de Hoofdvaart. Alhoewel Nederland een waterland is en er al eeuwenlang ervaring is met het maken van waterwerken, vroegen ze daar Calatrava om de bruggen te ontwerpen. Calatrava is geboren in Valencia waar hij ook een prachtig kunst- en wetenschapscentrum heeft gebouwd. Met het licht en de lucht daar, kan hij goed uit de voeten: wanneer je er rondloopt voel je de nabijheid van de zee. Maar het vlakke en heel vaak grijze Noordholland is natuurlijk wel wat anders. De gemeente heeft een mooi boekje uitgegeven over de bruggen. Daar staat in dat Calatrava bij het eerste bezoek aan hem in zijn bureau in Zürich al meteen begon te schetsen terwijl hij de Hoofdvaart natuurlijk nog nooit had gezien. Wil je een Calatrava dan krijg je er één, maar als brug over de Hoofdvaart is het een vreemd verschijnsel. Ik vind dat opdrachtgevers zich bij de keuze van een architect, niet moeten laten leiden door de waan van de dag.

Goed opdrachtgeverschap

Het Rietveld Schröder Huis is een schepping van een geniale architect en een opdrachtgeefster die hem heeft uitgedaagd tot het uiterste van zijn kunnen te gaan. Een uitmuntend voorbeeld van goed opdrachtgeverschap.

Een recent voorbeeld van goed opdrachtgeverschap is te zien in Utrecht op het Servaasbolwerk. De projectontwikkelaar Edwin Oostmeijer heeft hier samen met de Belgische architect Bob van Reeth een prachtig woongebouw neergezet. Een verrijking van de situatie waar voorheen een Duitse bunker uit WOII stond.

Bob van Reeth heeft eerder op de Mariaplaats woningen gebouwd die op een zeer zorgvuldige wijze in het historische stadsbeeld zijn ingepast. Dit is duurzame architectuur die iets wezenlijks toevoegt aan de geschiedenis van de stad – dit in tegenstelling tot ‘gedropte’ architectuur die vaak na een tijdje door vluchtige mode wordt ingehaald.

Een ander voorbeeld van goed opdrachtgeverschap op een bijzonder plek is een huisje dat op dit moment verrijst aan de oever van de Kromme Rijn, even voorbij het zwembad Kromme Rijn. De opdrachtgever is de familie De Bruin, de architect Ronald Willemsen van Asnova architects. Een helder concept wordt hier consequent doorgewerkt in één grote vorm, zonder overbodige toevoegingen. De eenvoud van het ware.

Vergelijkbaar vanwege de helderheid en de grote vorm is het huis dat architect Jaco de Visser voor zichzelf heeft gebouwd. Hier zijn opdrachtgever en architect één.

Het zijn voorbeelden van architecten die niet behoren tot de groep van sterarchitecten die de wereld rondreizen en elkaar treffen op de vliegvelden van Frankfurt, Moskou, Shanghai of Abu Dhabi. Maar het zijn wel architecten die zonder al te veel ophef zorgvuldig en goed werk maken dat ertoe leidt dat ze de aarde verlaten in een betere toestand dan ze die hebben aangetroffen. Ik reken mezelf ook tot deze groep, niet in alle bescheidenheid trouwens, want bescheiden ben ik niet. Deze groep zou minstens zoveel aandacht moeten krijgen als er voor de stars is omdat hun werk voor de kwaliteit van de omgeving van het dagelijkse leven van groot belang is.

Toen Edwin Oostmeijer bezig was met de planontwikkeling voor het gebouw op het Servaasbolwerk stond het AD/Utrechts Nieuwsblad regelmatig vol met verhalen over de bunker die voor het plan moest worden gesloopt. Een groep mensen uit de buurt was daar tegen. Over het prachtige gebouw dat voor de onooglijke bunker in de plaats kwam en een verrijking zou betekenen voor het Servaasbolwerk, hoor je niets. Daar is alleen in het kleine tijdschrift Dax en het Architectuurjaarboek enige aandacht aan besteed. Over elk nieuw boek dat verschijnt en elke nieuwe film die wordt vertoond, vind je in tijdschriften en dagbladen besprekingen. Dat moet over nieuwe gebouwen ook gebeuren, niet alleen in vaktijdschriften voor vakgenoten, maar ook in de krant. Het zou dan niet alleen moeten gaan over de buitenkant, het plaatje, maar ook over de binnenkant en over hoe deze gebouwen ruimtelijk in elkaar zitten en functioneren. Maar de publiciteit zoekt naar extremen en naar pakkende kreten, terwijl goede architectuur zoveel aspecten kent dat ze niet in slogans te vangen is.

De werken

Voor mij is architectuur de synthese van de plek waar het komt te staan, van het gebruik waarvoor het bedoeld is, van de bouwtechniek en het materiaal waarmee het gemaakt is en – last but not least – van het beschikbare budget. Het is een complexe aangelegenheid die steeds weer opnieuw, in samenspraak met gebruikers, regelgevers en –handhavers, gestalte moet krijgen. De uikomst van het ontwerpproces staat niet vast. Als het goed is, is deze ook voor de architect een verrassing. Omdat er zoveel componenten zijn die van geval tot geval verschillen, ziet mijn eigen werk er ook steeds weer anders uit.

In mijn begintijd had ik nog wel een soort van handelsmerk waaraan mijn werk was te herkennen. Ik had namelijk een probleem met het gebruik van baksteen. Ik vond de maat te klein en ik kon met de kleur niet goed uit de voeten. Rietveld had dat ook. Wanneer hij om welke reden dan ook met baksteen moest werken, koos hij er soms voor deze te schilderen om ongebroken vlakken in de juiste kleur te krijgen. Dit heeft echter als nadeel dat je de baksteen onderhoudsgevoelig maakt. Soms gebruikte hij ook geglazuurde stenen.

Toen ik voor Rietveld werkte, gebruikte hij ook B2 blokken. Die hebben een forsere maat, 25 x 45 cm en de kleur is grijs. Ik heb voor Rietveld een school in Badhoevedorp gebouwd in B2 blokken. Dit materiaal sprak me zo erg aan dat ik in het begin zelfs alles in B2 blokken bouwde. Dat zag er heel uitgesproken uit. Wanneer er iemand bij me kwam om een huis te laten bouwen, liet ik eerst altijd een huis in B2 blokken zien en wanneer ze dat dan graag wilden, maakte ik een ontwerp. Er waren mensen die juist kwamen vanwege de uitgesproken architectuur.

Soms moest ik echter vanwege bebouwingsvoorschriften gedwongen in baksteen met dakpannen te bouwen. Als de opdrachtgevers ervoor open stonden om iets goeds te maken, ondanks de in mijn ogen opgelegde beperkingen, dan aanvaardde ik de opdracht. Vaak was dat dan ook wel weer een interessant experiment, zoals bij het woonhuis Hagemeijer in Bunnik.


Woonhuis Steenhuisen Piters Tilburg

Op een gegeven moment kreeg ik genoeg van het bouwen van villa’s omdat dit maar een geringe sociale draagwijdte had. Ik wilde bouwen voor grotere groepen in de samenleving. Zo kwam ik terecht in de woningbouw. In het begin bouwde ik vooral woningen voor kleine huishoudens en later ook voor woongroepen en gezinnen.

Vanaf dat moment probeerde ik steeds opnieuw met een schone lei plannen te ontwikkelen in nauw overleg met de gebruikers. Vanuit de gegeven situatie en de wensen voor het gebruik, zocht ik dan de juiste techniek om het project te realiseren. In plaats van de vooropgezette B2 blokkenarchitectuur ging ik dingen maken waar ik ook zelf door werd verrast.

Ik heb ik Spijkenisse 380 woningen gebouwd voor jongeren, ouderen en gezinnen met verregaande inspraak. Dat plan heb ik gemaakt in 22 weken. Elke week had ik een bespreking met de toekomstige bewoners en aan het eind van de avond werd dan gestemd over mijn voorstellen. Voor mij was het de uitdaging om te zien hoe ver ik kon komen met mijn denkbeelden over architectuur, met industriearbeiders in het Botlekgebied. De bekende architect Carel Weeber had de opdracht voor woningen in een ander deelgebied. Hij kwam gehuld in een bontjas in zijn Porsche aangereden. Na twee keer had hij het wel gezien en gaf hij zijn opdracht terug. Maar ik heb volgehouden.

De bewoners wilden daar niets anders dan baksteen. Om aan de pieterige baksteenmaat van 5,5 x 21 cm te ontkomen heb ik daar voor het project een grotere maat laten bakken van 9 x 44 cm. Dat zag er wat steviger uit. Ik ben er kortgeleden nog geweest en heb toen kunnen vaststellen dat de hele woonbuurt er goed uitziet. Het is te zien dat er met plezier gewoond wordt. We hebben bij de opzet ook vooral aan de kinderen gedacht. Voor de auto´s zijn aparte parkeerplaatsen gemaakt wardoor het mogelijk was autovrije woonstraten te maken waar de bewoners op hun bankjes voor de huizen kunnen zitten, waar de kinderen vrij kunnen spelen en waar je bijvoorbeeld je fiets kunt repareren. De basisschool ligt tussen de woningen en is via voetpaden bereikbaar. De woningen hebben achterpaden die een belangrijke rol hebben in het kinderspel.

Later kwamen er ook kleinere betonstenen in een lichtere kleur dan de B2 blokken. Die heb ik gebruikt voor woningen en een kerkelijk centrum aan het Boerhaveplein in Utrecht waar vroeger een kerkgebouw stond. Ook dat plan heb ik gemaakt met intensieve inspraak van de parochianen.

Het was mijn opdracht om hier zoveel woningen te bouwen dat uit de grondkosten die aan de woningen werden toegekend een nieuw, beter te beheren kerkelijk centrum kon worden gebouwd. Ook was het een voorwaarde dat de parochianen uit Ondiep in de woningen moesten kunnen wonen. Ze konden in doorsnee maximaal 400 gulden per maand opbrengen.

Van het kerkelijk centrum is aan de buitenkant nauwelijks iets te zien. Toen het plan werd beoordeeld in de schoonheidscommissie zei één van de leden: ‘Dan kún je een keer een kerk maken en dan doe je er niets mee.’ Ik legde toen uit dat dat nou juist de bedoeling was en dat wanneer de rol van de kerk was uitgespeeld er ook een Albert Heijn in die ruimte moest kunnen. Ook legde ik uit dat de triomferende kerk niet meer bestond en dat ik een kerkgebouw wilde maken dat is verweven met de woningen omdat dit ook de rol van de kerk in de maatschappij zou moeten zijn.

Alle woningen in dit project zijn huurwoningen. Ze zijn ruim, geriefelijk en betaalbaar. De architectuur is niet spectaculair, maar de mensen wonen er met veel plezier. Er is een lift zodat ze er ook lang kunnen blijven wonen. Het kerkelijk centrum is multifunctioneel en wordt druk gebruikt.


Kerkelijk Centrum Boerhaveplein Utrecht Detail

In Amsterdam heb ik aan de Nieuwe Herengracht een studentenhuis gebouwd met een gestucadoorde gevel en in de Willem Schouten straat een Poortgebouw als vanzelfsprekend onderdeel van de bakstenen Amsterdamse School gevel. In Bunnik heb ik het Theehuis Rhijnauwen uitgebreid. Ik wilde niet een uitbreiding maken met een rieten dak zoals in het bestaande gedeelte. Dat vond ik te gemakkelijk. Wanneer je een uitbreiding maakt van een gebouw dat er al vijfenzeventig jaar staat en je maakt dat in dezelfde stijl als het bestaande deel, dan gebeurt er niets, dan is het net alsof de tijd heeft stilgestaan. Het gaat er bij zulke opdrachten om dat je iets nieuws maakt dat met het bestaande een nieuw geheel gaat vormen. De opdrachtgever vroeg mij dat zó te doen dat de trouwe bezoekers, die altijd in groten getale naar het theehuis kwamen, na de uitbreiding graag terug zouden komen. Dat waren dan vooral modale Utrechters, vaak met veel kinderen. De uitbreiding mocht dus wel anders worden, maar moest de herkenbare sfeer behouden. Toen het opnieuw geopend werd, was het enige probleem de grote toeloop.


Uitbreiding Theehuis Rhijnauwen Bunnik

In de Oudwijkerlaan in Utrecht was aan de ene kant van de straat nog een onbebouwd gat. In de helft daarvan heb ik een gebouw met twee appartementen gebouwd. Hier vond ik dat de enigszins duffe straat wel een frisse, pittige toevoeging kon gebruiken. Dit heeft er toe geleid dat in de andere helft van het gat het voorbeeld is gevolgd.

Na het succes van de restauratie van het Rietveld Schröder Huis ben ik vaak gevraagd voor restauraties van ander werk van Rietveld. Daaronder waren de huizen Brandt Corstius in Petten, Hildebrand in Blaricum en Verrijn Stuart op de Loosdrechtse Plassen en woningen in Tolsteeg. Ook werd ik gevraagd voor restauraties van werk in andere stijlen: arbeiderswoningen in de Valckenierstraat , atelierwoningen in de Zomerdijkstraat, Het Zuiderbad en het Quarantainegebouw aan de Oostelijke Handelskade in Amsterdam. Ik vind het geen probleem met andere stijlen aan de gang te gaan, zolang het werk is waarmee ik affiniteit heb. Dat geldt voor veel werk vanaf 1850, vanaf de tijd dat er iets te bespeuren was van aarzelende aanzetten tot wat later de moderne architectuur is geworden. Ik wil graag wroeten naar mijn eigen wortels.

Het gaat bij restauraties om het object, daarmee moet je je kunnen vereenzelvigen, dat moet je je helemaal eigen kunnen maken. Wanneer je het object echt kent, zegt het jou wat je er mee moet doen. Momenteel zijn we bezig met het restaureren van een woningbouwproject met 185 woningen van Rietveld rond de Robijnhof in de wijk Tolsteeg in Hoograven in Utrecht. Dit is de enige volkswoningbouw die Rietveld gerealiseerd heeft. Het project is gebouwd in 1952 in het kader van de wederopbouw en voor de indeling van de woningen golden stringente voorschriften. Het is interessant te ontdekken hoe Rietveld er dan toch in slaagt de woningen een eigen gezicht te geven dat zich duidelijk onderscheidt van wat er verder in die tijd werd gebouwd.

Hij heeft hier iets heel bijzonders gedaan. Er zijn verschillende typen woningen, flats, maisonettes en eengezinswoningen. Andere architecten zouden voor de verschillende typen woningen verschillende vormen hebben verzonnen. Rietveld niet. Hij bedacht een structuur van horizontale lijnen die doorloopt over alle blokken en maakte alle onderdelen voor de verschillende woningen gelijk. Dit deed hij om visuele rust te brengen in het totaalbeeld: verruiming door ordening, noemde hij dat.

Van dit complex hebben we ook de woonomgeving aangepast in nauw overleg met de bewoners. De omstandigheden zijn in 56 jaar heel erg veranderd. In 1952 was er één bewoner met een auto. Nu zijn er vele. Toch lukt het ons de rol die de auto speelt in het woongebied terug te dringen. Op de Robijnhof, waar nu nog rondom auto´s geparkeerd staan, mag de auto dadelijk alleen nog stapvoets rijdend komen om bij de deur boodschappen uit te laden of een moeilijk lopende bewoner te laten instappen. Er moet echter buiten het plein geparkeerd worden. Zo kan de ruimte van het plein de buitenwoonkamer van de buurt worden. De Robijnhof is een prachtig project omdat we het meer dan vijftig jaar nadat het gebouwd is klaar kunnen maken voor de komende vijftig jaar.

Een bijzondere uitdaging was de renovatie van het Anne Frank Huis, die kortgeleden werd opgeleverd. In het Anne Frank Huis waren het gebouw en de inhoud niet langer bestand tegen de aanhoudende stroom bezoekers: één miljoen per jaar, gemiddeld vier per minuut. Er was ook niet voldoende zuurstof voor al die mensen. Bij warm weer vielen mensen flauw. Experts hadden bepaald dat er een gigantische klimaatinstallatie moest komen die kon zorgen voor een constante temperatuur en vochtigheidsgraad van de lucht in het gebouw, onder alle weersomstandigheden. Mij is gevraagd ervoor te zorgen dat de installatie zo werd aangebracht dat er niets van te zien is. Dat was met de installatie zoals die was ontworpen, niet mogelijk. Ik moest er dus eerst voor zorgen dat ik alle experts die tot op dat moment bij het project waren betrokken in een andere richting kon krijgen. Ik heb ze gevraagd of ze ook hadden overwogen het hele gebouw onder een glazen stolp te zetten. Dat hadden ze niet omdat iedereen dat een onmogelijk te realiseren idee vond. Ik zei toen: ‘wanneer jullie kunnen aantonen dat daarmee alle problemen opgelost zijn, zal ik er voor zorgen dat het gemaakt wordt.’ Ze zijn toen opnieuw aan het rekenen geslagen, maar het bleek dat dit idee niet voldoende opleverde, omdat je met een stolp om het gebouw wel de invloed van het buitenklimaat neutraliseert, maar tegelijkertijd blijft zitten met de invloed van binnenuit door de bezoekers. Toch had deze exercitie iedereen op een nieuw spoor gezet wat we konden vervolgen. Ik heb steeds de grenzen aangegeven waarbinnen geopereerd moest worden. Omdat iedereen met iedereen meedacht zijn we er ook uit gekomen.

We zijn begonnen om op de nieuwbouw naast het Anne Frank Huis twee luchtbehandelingskasten te plaatsen met een doorsnede van 2,50 x 2,50 m en een lengte van 11 en 13 m. Ze werden op het dak getakeld waar ze vanaf de straat niet zichtbaar zijn. De kamers van Anne en de andere onderduikers lagen aan het eind van het luchtbehandelingsysteem. Daar heb ik onder de houten vloeren, waar je van onderaf tegenaan keek, nog zo’n vloer gelegd van dezelfde vloerplanken maar dan met iets grotere kieren. Hierdoor wordt geconditioneerde lucht met een lage snelheid ingeblazen. Tussen de nieuwe luchtplafonds en de luchtbehandelingskasten is een gigantisch kanalensysteem aangelegd wat zich zodanig door de gebouwen slingert, dat er niets van te zien is. Daarna hebben we het gebouw luchtdicht gemaakt en voorzien van speciale zonweringsconstructies zodat er nooit meer een straal zon binnen kan komen en het buitenklimaat wordt buitengesloten. Dat is allemaal zo gebeurd dat het aanzien van het gebouw binnen en buiten niet veranderde.

De uitvoering van dit project moest gebeuren terwijl de bezoekersstroom gewoon doorging. Het enige moment waarop het pand gesloten was en de stroom gestopt kon worden was Jom Kippoer. Toen konden we twee nachten en één dag achter elkaar ongestoord werken met vijftien timmerlieden, vier elektriciens en twee schilders. Dat was een prachtige gebeurtenis met al die mensen die zich volledig inzetten en verzorgd werden door de staf van het Anne Frank Huis. Iedereen was zich ervan bewust met iets heel bijzonders bezig te zijn.

Het was een ogenschijnlijk onmogelijke opgave die tot een goed eind is gebracht. Nu functioneert het systeem en ben ik nog bezig met de nazorg. Aan de hand van beelden van de uitvoering laat ik aan de verschillende subsidiegevers zien wat we met hun geld gedaan hebben, omdat ze daar, wandelend door het gebouw, niets van kunnen zien.

Wat je uiteindelijk ziet van mijn werk wordt in grote mate bepaald door de plek, de functie en de gebruikers. In het Anne Frank Huis zie je uiteindelijk niets. Er is wel een constante in mijn werk; dat is technische kwaliteit. Bouwen is immers ook vakmanschap. Gebouwen moeten niet alleen goed functioneren maar ook duurzaam zijn, niet instorten, scheuren of lekken. Ik heb dat geleerd omdat ik alle stadia van het bouwen heb doorlopen en het wordt door mijn opvolgers voortgezet.

Concrete kunst

Ik ben begonnen met Max Bill en zijn concrete architectuur. Daar kom ik nu ook weer bij terug want ik kan ook pure architectuur maken. Samen met de kunstenaar Stanley Brouwn heb ik een gebouw gemaakt waarin de situatie en het gebruik geen rol speelden en er geen opdrachtgever bekend was. Daar lagen, kortom, de voorwaarden voor het maken van pure, concrete architectuur en daar heb ik graag gebruik van gemaakt. Beyond, het kunstinitiatief van de gemeente voor Leidsche Rijn, vroeg Stanley Brouwn om een idee voor een gebouw te ontwikkelen, onafhankelijk van een bepaalde plek, functie en opdrachtgever. Stanley Brouwn kwam met een eenvoudig model dat volgens hem overal voor kon worden gebruikt en ook overal kon worden neergezet. De gemeente vroeg aan mij of zoiets ook gebouwd kon worden. Toen ik dit bevestigde, kreeg ik de opdracht daarvoor de plannen te maken.

We hebben toen een plek gevonden waar het bouwwerk in ieder geval vijf jaar kon blijven staan. Misschien krijgt die plek straks inderdaad een andere bestemming. Dat zal betekenen dat Het Gebouw uit elkaar wordt gehaald om op een andere plek weer gemonteerd te worden. Uiteindelijk trad de gemeente zelf op als opdrachtgever omdat ze een deel van de tentoonstelling bij het tienjarig jubileum van Leidsche Rijn in Het Gebouw wilde onderbrengen. De datum van de opening lag vast en er was grote haast geboden. Ook dat gaf aanleiding tot zoveel mogelijk prefabriceren.

Stanley Brouwn en ik hebben op een voortreffelijke manier samengewerkt. Hij kan iets wat ik niet kan, een gebouw ontwerpen zonder te weten waarvoor het moet dienen en waar het komt te staan. Ik kan iets wat hij niet kan, een idee op ware grootte gestalte geven en realiseren. In de samenwerking hebben we elkaar de ruimte gelaten die we nodig hadden. We konden goed samenwerken omdat we het over de relatie mens en ruimte eens zijn. We zijn daar beide in ons eigen vak al lang mee bezig.

In die relatie tussen mens en ruimte zijn er twee kenmerkende situaties: je bent ergens of je bent op weg ergens naartoe. Iets anders is er niet. Je kunt dat grafisch verbeelden door een punt voor de plaats waar je op de aardbol verblijft en een lijn voor de richting waarin je de aarde exploreert. Die beide elementen bepalen de vorm van Het Gebouw. De punt is het midden van de kruising van de twee op elkaar liggende bouwblokken en de lijn manifesteert zich in de richting van de blokken.

De maten van Het Gebouw zijn SB maten, Stanley Brouwn maten. Hij wijst het metrische maatsysteem af want dat is hem te verstandelijk. Hij werkt niet met meters maar met voeten. Een SB voet is 26 cm, de maat van zijn eigen voet. Voor mij was de grote uitdaging een gebouw te maken dat even scherp is als de maquette van Brouwn, zonder toevoegingen van welke aard dan ook: geen afwerk- of afdeklijsten, geen waterkeringen, geen hemelwaterafvoerpijpen, binnen geen radiatoren of andere attributen. Dat is gelukt. Je ziet alleen vlakken en lijnen die in de raakvlakken in één punt samenkomen. Dat te zien gebeuren maakt me gelukkig.

Dit is concrete kunst, niet op het grensvlak van architectuur en beeldende kunst, maar architectuur en beeldende kunst tegelijk.


Het Gebouw in Leidsche Rijn Utrecht

Het eerste plaatje dat ik liet zien was het beeld van Max Bill. Het laatste plaatje is er een van Het Gebouw. Het is interessant de grote verwantschap te zien tussen beide werken. Ik denk dat ik in Het Gebouw kon doen wat Rietveld wilde maar toen nog niet kon omdat de benodigde technieken en materialen nog niet toegankelijk waren. U mag het daarom zien als een hommage aan Rietveld.

Ik ben nu bezig met de restauratie van de bushalte en de klok bij de voormalige weverij De Ploeg in Bergeijk. Ook hier gaat het weer om werk van Rietveld. Verder doe ik de restauratie van de gevel van het Amsterdamse School blok aan de Rembrandtkade in Utrecht en van het atelier van de beeldhouwer André Volten in Amsterdam Noord.

Het is mijn werk, maar ook mijn passie. Ik hoop het nog een tijdje te kunnen voortzetten.